

|
|
eens
eens zouden we komen
in het land onzer dromen
we zagen hem vliegen,
Peter Pan zou niet liegen
we hoorden zijn woorden
zijn zang die bekoorde
we volgden de vlucht
van Peter Pan in de lucht
we gingen hand in hand
op weg naar jongensland
bal
We waren maar knapen,
broekjes, snotapen,
maar voelden ons binken
die uit zouden blinken
We krijsten en gilden
en vochten als wilden.
We werden de helden
van drassige velden.
We voelden ons leven
in trillen en beven.
De vijand verslagen
door ons, jonge blagen.
kwaad
hoog rijzen glimmende bergen,
het struikgewas fluistert vrede.
zon warmt een jonge vreemdeling,
de dichter kijkt tevreden toe.
vrolijk fluit, zingt de jongen,
soepel beweegt zijn lichaam.
ver weg van alle veiligheid
gaat hij door het open veld.
onrustig trekken wolken samen,
het terrein wordt ruw en grauw.
de dichter zoekt venijnig woorden,
roept kwade machten aan.
zwaar gas dampt uit aarde op.
gif schuurt en brandt zijn huid,
scherpe hoge tonen snijden
diep in het jongenshoofd.
wreed ziet de dichter hoe
de jongen krampt en schokt,
het lichaam vorm verliest
en stil de dood ontvangt.
grote broer
hij kijkt mee
over je schouder
op je vingers
door het scherm
grote broer
weet alles
hij voert
het tempo op
ziet hoe je
zucht en zweet
hoort hoe je
klaagt en weent
grote broer
meet alles
|