|
|
Bloemlezing Jongensvreugde en herenleed, liefde en verlangen in de Nederlandse literatuur. Kijk voor het werk van deze auteurs bij 'Boekenlijst'. Aan eenen jongen visscher Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen, Tulpen niet als uw bloote voeten teer, En in geen oogen las ik immer meer Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen. Achter ons was de eeuwigheid van de zee, Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht, Aan 't eenzaam strand dwaalden alleen wij twee, Er was geen ander dan het zeegerucht. Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad. Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond En vind in stad noch stiller landstreek wijk. Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad. Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk. Jacob Israël de Haan (1881-1924) Natuurlijk Natuurlijk moest die jongen in het duin merken dat ik intens naar hem keek. Natuurlijk kwam hij toen vlak langs me met veel overbodige bewegingen hoewel hij me zogezegd niet zag. Natuurlijk begon hij een lenteballet met een vriendje en een bal, natuurlijk streek hij veel te meisjesachtig telkens door zijn erg lange haar en keek daarbij eens om, flitsen gebit in duister gezicht. Natuurlijk lag hij later loom kauwend op een helmspriet in dat aandoenlijk verschoten badbroekje helemaal alleen in een warme duinpan. Natuurlijk ging ik zacht en ongemerkt weg en natuurlijk heb ik daar de hele dag spijt van. Hans Warren (1921-2001) toen ik de middagen in zijn kamer doorbracht en in zijn lichaam rondliep of neerzat, een boek las of sliep, toen ik de weg van zijn oor kende en de rivier van zijn ogen binnenvoer toen ik met zijn handen speelde en over zijn lippen liep toen ben ik mezelf vaak tegengekomen, lachend en huilend of dingen zeggend. Hans Lodeizen (1924-1950) 'K hoor ruisen ons moeras - zo noemden wij 't, Mijn vriend en ik - vol angstig rits'lend riet, Met, soms, een zichtbaar wieg'lende karkiet; Er om eerst bos, dan heiden, vlak en wijd. Wij stookten vuurtjes, veilig; niemand ziet De blauwe rook. Over ons, dreigend, glijdt Kraaiengeroep, vreemd, wild, door de eenzaamheid. - Leeft hij nog? - 'k Ruik de hars - Ik hoop van niet. Ik heb hem vaak beledigd en gegriefd; Want 'k hield van hem. Neen, 'k was op hem verliefd. Neen, meer - mijn ideaal van goed en waar. Nu ben ik oud. In Brahman is vergaan Mijn wereld, en ikzelf, grijze brahmaan - Hij had blauwe ogen en mooi donker haar. Adwaita (J. A. Dèr Mouw) (1862-1919) Liefde Eindelijk heeft Joseph het bij mij gedaan: ik weet nu, dat ik een man heb. Op straat trippel ik trots naast hem mede, stil naar hem opziend. Ik ga gebloemde bloesjes dragen. Gerard Reve (1923) Glazenwassers Ik heb de mooie glazenwassers lief - neen, geen libellen, schoon ook die een beetje - maar 'k meen die stoere blue-jean-jongens, weet je: des zomers schoonste en taaiste ongerief. Getatoeëerde armen - vrouwlijk naakt, dat niets te raden laat van zijn begeren - al vangt hij honderdmaal de blik van heren, die door zijn schoon in vlammen zijn geraakt. Zijn ladder, die een Jacobsladder is, waarlangs we tot de hoogste heemlen stijgen - ofschoon we weten hem toch nooit te krijgen -, doet plots me denken: 'Stapte hij maar mis'. Dan zou ik knielen naast 't gekreukte schoon, met de eigen houding min of meer verlegen, en zachtjes fluistren: 'Mag ik jou verplegen?' - zijn glimlach oogstend als mijn Judasloon. Hij stapt niet mis, integendeel, hij reikt zo ver hij kan de roofdier-soeple leden; dan, om schoon water, komt hij weer beneden. 'k Voel hoe mijn blik de zijne snel ontwijkt. Hij heeft iets door; hij heeft al lang iets door. En treitrend gaat hij kat-en-muisje spelen, hij zingt: 'Wij zijn de homoseksuelen.' Beschaamd verdwijnt zijn singulier gehoor. Jac. Van Hattum (1900-1981) Alles kan ik verdragen, blote meisjesbenen, welgevulde boezems, de rankste taille kan ik zonder opwinding aanschouwen, daar ben ik werkelijk hard in. Maar het strakgebroekte kontje van een jongen, licht wippend op het zadel van zijn fiets, nee. Cees van der Pluijm (1954) I Een late Griekse avond waarop jij tussen kaartspelende oude mannen en toegezongen door duizenden krekels dromerig eenzaam zeer Grieks zat te zijn. II Langs de zandweg een terras met één wrakkig tafeltje. Overschaduwd door bijna obsceen grote druiventrossen. Vanaf mijn ongemakkelijke ijzeren stoel zie ik hem aankomen. Zonder hemd, en blote benen, stoffig als dit hele land, radeloos eindigend in een rafelig broekje. Langzaam eet ik bij mijn glas retsina verse amandelen die op zijn ogen lijken. III En 's avonds beneden aan het rusteloos blikkerende water, dicht tegen de kademuur en buiten bereik van de felle lampen der nachtvissers leerde jij mij dat Grieks niet altijd zo moeilijk is. Huub de Bel (1950) Engelen Engelen rijden fiets, met lange stevige benen, ze eten wulps en gespierd, drinken dromerig melk, praten met volle mond en slikken de middag weg zonder ressentiment. Engelen hebben een baard van twee dagen, ze scheren zich wars van verliefdheid, hun kaken gespannen en ingezeept betekenen niets, hun zindelijk vel is rijp voor de prullenmand, hun haar dat niet uitvalt maken ze vochtig en trekken een andere broek aan. Nu is het avond. Engelen gaan bij avond natuurlijk dansen, drinken dromerig bier en strelen een achterste niet zonder loomheid en vragen zich nauwelijks af of de muziek hen bedroefd maakte en opwindt, hun lippen nat en gescheiden en drie jaar oud. Engelen keren zonder weemoed huiswaarts, ze zwaaien een beetje en zijn schor als kikkers, hun stem draagt enige weemoed bij aan de nachtlucht, ze kruipen in bed als in een voordelig lichaam, draaien zich twee keer zuchtend om en slapen gemakkelijk in. Guus Vleugel (1932-1998) Color Climax neon en nering van de dood beslopen steeds in duister Deens en Zweedse jongens kopen ze kosten vijftien gulden of iets meer poseren naakt. Enkel zijde in geslachtsverkeer ze zijn zo slank, gewillig en volkleuren glans (soms heb ik ze eerder al ontmoet, dan zijn ze tweedehands) ze liggen zwijgend naast mij te verkeren bewegen nooit. Het eenzame jongeleren ze zijn beschikbaar op de vreemdste uren bevlekken en vervullen elke vacature nú zijn ze ouder, huwbaar of verkocht wonen samen met de hoeren. Hartstocht voor de schoonheid foto; Kopenhagen lijfsbehoud voor jongens die nimmer meer verdagen Boudewijn Büch (1948-2002) Lieve jongen Lieve jongen, zachte jongen; blonde jongen Met je artistieke inslag en je lach Met je feeling voor Von Beethoven en Bach Toen ik je maandag in de trein naar Gorinchem zag Was het, of de Wiener Sängerknaben zongen Mooie jongen, goeie jongen; wrede jongen Met je culturele voorkeur en je smile Met je mij zo zeer verwante hang naar stijl Jouw fluwelen ogen zagen me terwijl In mijn hart, de Wiener Sängerknaben zongen Ik zal je nooit vergeten, zolang ik besta Hei fideldeihei, hei fideldeihei, Hopla! Gave jongen, slanke jongen; fijne jongen Met je beige corduroy pak en je mond Die zo zalig melancholisch openstond Toen ik jou in mijn gedachten haast verslond Was het, of de Wiener Sängerknaben zongen Tedere jongen, fijne boy; intense jongen Met je heimwee naar een lang vervlogen tijd Toen jouw anderszijn niets had van schandelijkheid Toen ik jou ging vergelijken met een meid Was het, of de Wiener Sängerknaben zongen Ik zal je nooit vergeten, zolang ik besta Hei fideldeihei, hei fideldeihei, Hopla! Oh wat hield ik van je; introverte jongen In de trein naar Gorinchem nam ik toen de gok En ik streelde je, en vroeg je om een lok Maar toen jij zo nuffig aan de noodrem trok Was dat klerekoor uit Wenen uitgezongen Alain Teister (1932-1979) Een nichtenstel Al twintig jaar zijn Henk en Piet een paar. Henk doet de giro en de kruidenier En 's avonds zet hij Piets pantoffels klaar. Dat gaat na twintig jaar op die manier. Een oogopslag, een stille wenk, meer niet. 'Dit is ons liefdeslied.' Het lijkt genoeg. De treurbuis is hun beider favoriet. Alleen op vrijdag gaan ze naar de kroeg - Om zaterdag tot twaalf uur uit te slapen. Nooit is er ruzie tussen Piet en Henk. De buurvrouw noemt de twee bejaarde knapen Vertederd 'onze jongens'. Een geschenk. 'Het is,' dacht Henk, 'verdomde mooi geweest.' En hij stond op en sprak het bittere woord, Het woord dat iedere geliefde vreest, Maar dat zich aan verzet noch uitstel stoort. Gerrit Komrij (1944) http://www.olafkorder.net |
|
|
|